Hemoglobine

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Hemoglobine (rood eiwit in de bloedcel) is van belang bij het bepalen van de gemiddelde bloedglucosewaarde van de voorgaande 6 weken. Deze waarde wordt tenminste 1x per jaar in het laboratorium bepaald. In de volksmond wordt deze waarde de ‘lange termijn-suiker’ genoemd. Deze bepaling heet voluit het HbA1c (Haa-bee-aa-een-cee). Letterlijk vertaald staat er: de A1c-fractie van de hemoglobine. Op sommige plaatsen zegt men GlyHb (Glie-haa-bee) en hier bedoelt men hetzelfde mee. Op het laboratoriumformulier staat GlyHb of HbA1c.


Bij een test van het hemoglobine wordt bepaald hoeveel glucose blijft kleven aan de rode bloedcel.


In het algemeen is de streefwaarde van de Hemoglobine A1 tussen 42 en 53 mmol/mol. Hoe dichter men bij de goede waarde zit, hoe kleiner de kans op complicaties op de lange termijn. Een normaal HbA1c betekent dat de glucose op de juiste manier de weg vindt naar de spieren en de lever. Hoe hoger het HbA1c, hoe slechter de diabetes geregeld is. Bijna iedereen met diabetes krijgt in zijn leven te maken met periodes met een hoog HbA1c. Dat is dan meestal een aanleiding om de behandeling en de omstandigheden te analyseren. Met een goede individuele aanpak kan de regulatie van de diabetes weer bijgestuurd worden.


Het verschil met vingertesten is dat vingertesten momentopnames zijn. De getallen van de vingertesten laten de schommelingen op een dag zien, terwijl het HbA1c het gemiddelde van de voorgaande 6 weken aangeeft.


Bij aandoeningen zoals ijzerstapelingsziekte, sikkelcelanemie, regelmatige bloedtransfusies, alfathalassemie en betathalassemie wordt het HbA1c anders geïnterpreteerd en soms wordt een ander soort laboratoriumonderzoek gedaan.

Persoonlijke instellingen