Hyper

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Hypo en hyper

De veilige waarde voor uw bloedglucose is tussen 4 en 9 mmol/l. Bij alle typen diabetes bestaat het risico op hypo’s en hypers: een sterke daling (hypo) of stijging (hyper) van de bloedglucosespiegel. Wat merkt u ervan en wat kunt u eraan doen?

Waarom krijgt u een hypo of hyper?

Te hoge of te lage bloedglucosewaarden kunnen verschillende oorzaken hebben. Probeer ze te achterhalen, dan weet u in het vervolg beter hoe u een hypo of hyper kunt voorkomen. Mogelijke oorzaken zijn:

  • te veel of te weinig eten of drinken;
  • sporten zonder iets extra's te eten of zonder de insuline te verminderen;
  • zware lichamelijke inspanning;
  • te veel of te weinig insuline spuiten;
  • alcohol drinken;
  • insuline werkt te snel door na een sauna of warm bad;
  • verkeerde insuline spuiten (bijv. kortwerkende in plaats van langwerkende);
  • een ander eetpatroon (op reis);
  • ziek zijn / ergens een ontsteking in het lichaam hebben;
  • ongesteld zijn of zwangerschap;
  • een defecte insulinepomp.

Hyper

Wat is het?

Hierbij is er te veel glucose in uw bloed (boven de 9 mmol/l). U merkt dit bijvoorbeeld aan vaak plassen, erge dorst, vermoeidheid en een droge tong. Kinderen klagen vaak over buikpijn en zijn soms huilerig. Als een hyper lang duurt, kunt u tijdelijk wegvallen, verzuren (keto-acidose) of in een non-ketotisch coma raken. Vergeleken met een hypo, ontstaan de klachten bij keto-acidose en non-ketotisch coma vrij langzaam; het duurt enkele uren voordat u in coma raakt.

Wat kunt u eraan doen?

Controleer uw bloedglucose, drink veel en stop nooit met de behandeling. Mensen die tabletten gebruiken, moeten bij een hyper vooral veel water blijven drinken en veel bewegen. Gaat u braken, waarschuw dan een arts. Neem maatregelen zodra u klachten heeft. Een hoge waarde geeft niet altijd klachten. Toch is het belangrijk onder de 9 mmol/l te blijven. Zo verkleint u de kans op complicaties. Draag altijd een 'diabetes-setje' bij u: benodigdheden voor zelfcontrole, insuline of tabletten, glucosetabletten (dextrose, duivensuiker), glucosedrankjes of eventueel glucagon.

Persoonlijke instellingen