Insuline

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Insuline

Welke mensen met diabetes moeten insuline gebruiken?

Bij mensen met diabetes type 1 maakt de alvleesklier geen insuline meer aan. Zij moeten zichzelf daarom insuline toedienen. Maar ook 20 tot 25 procent van de mensen met diabetes type 2 en vrouwen met zwangerschapsdiabetes kunnen insuline voorgeschreven krijgen. Dit kan naast of in plaats van de tabletten. Ook kan het voor mensen met diabetes type 2 nodig zijn om tijdelijk, bijvoorbeeld bij koorts of na een operatie, insuline te gebruiken.

Waarvoor dient insuline?

Glucose is de brandstof voor alle lichaamscellen. Insuline is een hormoon dat wordt aangemaakt in de alvleesklier en ervoor zorgt dat de glucose uit onze voeding vanuit het bloed door de cellen kan worden opgenomen. Als het lichaam zelf geen of onvoldoende insuline aanmaakt, kan de glucose niet worden opgenomen en functioneert het lichaam niet. In dat geval moet een aantal keer per dag insuline worden toegediend. Insuline dient om de bloedglucose zo normaal mogelijk te houden: niet te hoog en niet te laag. Dat betekent nuchter lager dan 7 mmol/l, één tot twee uur na de maaltijd lager dan 9 mmol/l en een HbA1c van minder dan 7%. Dit zijn streefwaarden voor de behandeling die niet voor iedereen even simpel te bereiken zijn.

Hoe vaak moet u insuline gebruiken?

Het behandelschema, dat u samen met uw arts/diabetesverpleegkundige maakt, is puur persoonlijk. Hoe vaak u moet spuiten, wanneer en hoeveel eenheden hangt af van uw bloedglucosewaarden en van het soort insuline dat u gebruikt.

Welke soorten zijn er?

Er zijn ultrasnel-, snel-, middellang- en langwerkende insulines. Mengvormen zijn er ook. Deze soorten verschillen in de snelheid en de duur waarmee ze werken. Insuline moet altijd worden ingespoten. Het kan niet in tabletvorm worden genomen, omdat het spijsverteringsstelsel het afbreekt. Hier vindt u een overzicht van alle insulinesoorten (versie 2014)

Aandachtspunten bij het gebruik van insuline?

  • Insuline-allergie

Op de plaats waar de insuline wordt gespoten, kunt u een allergische reactie krijgen. De huid wordt rood, zwelt op, jeukt en doet pijn. Aan insulineallergie kan meestal iets worden gedaan. Er kan bijvoorbeeld een andere insuline worden geprobeerd of een middel tegen allergie (antihistaminica) worden gebruikt. Ook kan de allergische reactie verminderen door desensibilisatie toe te passen. Hierdoor wordt onder medische begeleiding stapsgewijs de hoeveelheid insuline geleidelijk verhoogd.

  • Lipoatrofie

Bij lipoatrofie wordt op de spuitplaatsen de vetlaag onder de huid dunner. Lipoatrofie kan voorkomen als u lang insuline gebruikt en te vaak op dezelfde plaats injecteert.

  • Lipohypertrofie

Hierbij wordt de huid op de spuitplaatsen juist dikker en stugger door het littekenweefsel dat door het spuiten ontstaat. Injecteer niet op deze plekken; daar wordt de insuline niet meer geleidelijk aan het bloed afgegeven, waardoor de bloedglucose kan gaan schommelen. Ook lipohypertrofie is te voorkomen door regelmatig op een andere plek te spuiten. Lipoatrofie en lipohypertrofie worden samen ook wel lipodystrofie genoemd.

Insuline verlaagt de bloedglucose. Als deze te laag wordt, namelijk lager dan 3,7 mmol l, spreken we van een hypo. Zorgvuldige afstemming van insuline op koolhydraten in de voeding voorkomt te grote bloedglucosedalingen. Komt het toch regelmatig voor, overleg dan met uw arts/diabetesverpleegkundige over aanpassing van uw insuline of spuitschema of met uw diëtist over de voeding.

Hoe wordt insuline toegediend?

Voor de toediening wordt een pomp of een pen gebruikt (zie Insuline spuiten).

Combinatietherapie

Uit wetenschappelijke studies is gebleken dat een scherpe diabetesregulatie complicaties kan voorkomen. Blijft de bloedglucose ondanks de tabletten te hoog, dan is het raadzaam over te stappen op insuline.

Insuline: iets om tegenop te zien?

Mensen met diabetes type 2 die tabletten slikken, zien er vaak tegenop om er insuline bij te gaan gebruiken of geheel over te stappen op insuline. Het gebruik van insuline vraagt toch meer op het gebied van zelfcontrole. Ook prikangst en de angst voor hypo’s kan een rol spelen. Maar na een paar maanden zijn de meeste mensen die insuline gaan gebruiken blij dat ze dat gedaan hebben. Doordat hun bloedglucose niet meer zo hoog is, voelen ze zich al snel beter. Ze hebben veel meer energie, kunnen weer meer aan en worden ondernemender. Vaak zeggen zij dat ze het jaren eerder hadden moeten doen.

Behandeling uitstellen

Voor wie aan insuline toe lijkt te zijn, is het soms zinvol om thuis dagelijks de bloedglucose te meten. Door zelfcontrole in combinatie met goede educatie verbeteren de bloedglucosewaarden vaak al veel. Daardoor kan de behandeling met insuline dan nog even worden uitgesteld.

Hoe vaak moet u per dag insuline spuiten?

Het HbA1c is een belangrijke graadmeter om te bepalen of het tijd wordt voor insuline, naast of in plaats van tabletten. Het HbA1c is het gemiddelde van de bloedglucosewaarden in de laatste zes weken. Als dat herhaaldelijk boven de 53 mmol/mol zit, kan worden besloten tot insulinetherapie. Er zijn dan drie mogelijkheden:

  • 1 x daags een middellang- of langwerkende insuline voor het slapengaan en daarnaast tabletten.
  • 2 x daags (’s ochtends en ’s avonds) een insulinemix van kort- en langwerkende insuline en daarnaast eventueel tabletten.
  • 4 x daags spuiten: 3 x kortwerkende insuline voor de maaltijd en 1 x middellangwerkende insuline voor het slapengaan.

De eerste twee mogelijkheden passen het best bij mensen die een geregeld leven hebben en op vaste tijden eten, actief zijn en slapen. Eenmaal daags spuiten is ook een oplossing voor mensen die bijvoorbeeld in een woonzorgcentrum wonen of bij wie een wijkverpleegkundige dagelijks de injectie toedient.

Tweemaal daags spuiten is prettig voor mensen die liever niet op hun werk willen spuiten of viermaal daags spuiten te belastend vinden. Viermaal daags spuiten lijkt het meest op de natuurlijke werking van de alvleesklier en geeft de meeste flexibiliteit. Daardoor geeft het vaak de beste regulatie van de diabetes en past het bij mensen bij wie elke dag er anders uit kan zien. Welk regime het meest geschikt is, bepaalt u in overleg met uw (huis)arts of diabetesverpleegkundige.

Wat is beter: combinatietherapie of alleen insuline?

Uit onderzoek blijkt dat het voor de bloedglucosewaarden niet uitmaakt of iemand tabletten met insuline combineert of helemaal overgaat op insuline. De combinatiebehandeling lijkt wel ‘gebruiksvriendelijker’ dan alleen insuline. Ook geeft het minder kans op hypo’s en gewichtstoename. De combinatie van twee- of viermaal daags insuline met alleen metformine geeft echter wél lagere bloedglucosewaarden en er is minder insuline nodig. De combinatie van insuline met een SU-preparaat is meestal minder effectief en wordt niet zo vaak gegeven. De meeste andere middelen zijn niet geregistreerd om samen te gebruiken met insuline.

Persoonlijke instellingen