Neonataal

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Wat is het?

Kinderen met neonatale diabetes worden klein geboren en groeien niet, omdat hun alvleesklier weliswaar insuline aanmaakt, maar die insuline niet op de juiste plek (het bloed) terecht komt. Zij hebben dus weinig insuline in hun bloed. Er is een onderscheid tussen permanente neonatale diabetes – diabetes die nooit meer overgaat – en transiente neonatale diabetes, die na 12 maanden afneemt en kan overgaan.

Hoe vaak komt het voor?

Neonatale diabetes is zeldzaam en treft ongeveer één op de vijftigduizend kinderen. Kinderen van ouders die dezelfde genetische afwijking hebben, lopen een verhoogd risico.

Bij wie komt het voor?

Bij baby’s tot zes maanden, met een lager dan gemiddeld geboortegewicht. Iets meer dan de helft van de baby’s geneest na zes maanden, maar vaak krijgen zij in de puberteit opnieuw diabetes.

Wat is de oorzaak?

De oorzaken kunnen wisselen. Een van de oorzaken is een afwijking in een van de genen (Kir6.2). Deze verstoort de werking van de zogeheten kaliumkanalen in de bètacellen van de alvleesklier. Deze kanalen zorgen ervoor dat de juiste hoeveelheden insuline aan het lichaam worden afgegeven. Bij baby’s met de afwijking aan het Kir6.2 gen lekken de kaliumkanalen, waardoor de insuline niet op de juiste plek – het bloed – terechtkomt. Hierdoor ontstaan er hoge bloedglucosespiegels.

Wat zijn de klachten?

De gebruikelijke klachten die bij diabetes horen. Een deel van de baby’s met de Kir6.2 variant heeft ook ontwikkelingsstoornissen op sociaal, leer- en motorisch gebied.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Door bloedonderzoek, eventueel aangevuld met DNA-onderzoek.

Hoe is het te behandelen?

Met insuline. Voor Kir6.2 patiënten is sinds kort een andere behandelingsmethode geschikter en veel minder ingrijpend: een tablet met daarin een stofje dat de kaliumkanalen sluit.

Persoonlijke instellingen