Tabletten

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Tabletten

Waarom tabletten?

Bij mensen met diabetes type 2 maakt de alvleesklier nog wel insuline, maar niet genoeg om de hoeveelheid glucose uit het bloed in de lichaamscellen te brengen. De alvleesklier kan meestal nog wel een beperkte hoeveelheid insuline maken, die het lichaam gedurende de dag nodig heeft. Die hoeveelheid insuline is echter niet genoeg om de glucosewaarde op een gezond niveau te houden. Zeker na een maaltijd zal de hoeveelheid glucose in het bloed duidelijk te hoog worden. Behalve dat het lichaam onvoldoende insuline aanmaakt, kunnen de lichaamscellen de insuline ook niet goed opnemen: ze zijn resistent (ongevoelig). In beide gevallen blijft er te veel glucose in het bloed zitten en worden de bloedglucosewaarden dus te hoog.

Moet iedereen met diabetes type 2 tabletten gebruiken?

Vaak krijgt iemand bij wie diabetes type 2 is geconstateerd eerst alleen een leefstijladvies: gezond eten en afvallen door minder te eten en meer te bewegen. Afhankelijk van de hoogte van de bloedglucose bij de diagnose en het effect van de aanpassingen in leefstijl, komt daar vervolgens vaak een tablet bij om de bloedglucose voldoende te verlagen. Het middel metformine is hierbij meestal de eerste keus. De dosis kan afhankelijk van de glucosewaarden worden verhoogd. Is het effect van de maximale dosis metformine niet meer voldoende om de bloedglucosewaarden onder controle te houden, dan krijgen mensen vaak sulfonyl-ureumderivaten (SUD-tabletten) voorgeschreven. Deze medicijnen stimuleren de insulineproductie. Vaak wordt daarbij ook nog de metformine gebruikt, om ervoor te zorgen dat de insuline beter werkt.

Als Metformine of SUD-tabletten niet wordt verdragen, kan er een Tiazolidinedione (TZD-tablet) worden gegeven. TZD’s maken lichaamscellen gevoeliger voor insuline. Als ook de TZD-tablet niet wordt verdragen, kan een DPP4-remmer (Gliptine-tablet) gegeven worden. Dit middel stimuleert de insulineproductie en remt de lever in het afgeven van glucose aan het bloed. Helpt ook dat niet voldoende, dan wordt er, eventueel in combinatie met de tabletten, insuline voorgeschreven.

Hoe vaak moet u de tabletten nemen?

Elk tablet neemt u één of twee (en soms drie) keer per dag in, afhankelijk van wat u met uw arts hebt afgesproken. U kunt de tabletten het beste elke dag op een vaste tijd innemen, bij voorkeur net voor of tijdens de maaltijd (maar niet voor alle middelen is het noodzakelijk ze bij een maaltijd in te nemen).

Bijwerkingen

Het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb verzamelt informatie over alle bijwerkingen van geneesmiddelen in Nederland. Artsen, apothekers en patiënten kunnen informatie over bijwerkingen melden bij Lareb. Lareb analyseert alle meldingen en geeft belangrijke informatie door aan het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Dit College beslist of er actie moet worden ondernomen. Iedereen kan een melding doen bij Lareb. Als u een bijwerking hebt gemeld, krijgt u altijd een persoonlijke, inhoudelijke reactie.

Meer informatie vindt u op www.lareb.nl en www.larebmonitor.nl of leest u in een folder die Lareb Monitor samen met de DVN heeft uitgebracht. Hierin wordt ook uitgelegd waarom het belangrijk is om mee te doen aan Lareb Monitor - ook als u geen last heeft van bijwerkingen.

Soorten tabletten

De tabletten die worden voorgeschreven zijn te verdelen in zes groepen.

1. Biguaniden: metformine

  • Handelsnamen: Metformine.
  • Effect: Stimuleren de glucoseopname in de weefsels en werken in op de gevoeligheid van de lever voor insuline en remmen de nieuwvorming van glucose. Vooral geschikt bij insulineresistentie en overgewicht. Veroorzaken geen hypo’s.
  • Mogelijke bijwerkingen: Veroorzaakt bij een kwart van de gebruikers maag-darmproblemen. Als het alleen gaat om misselijkheid, kan dit soms na verloop van tijd verdwijnen, vaak als de dosering wordt verlaagd. Sommige mensen moeten een ander middel nemen omdat de klachten aanhouden. Ook is dit middel niet geschikt voor mensen met een verminderde nierfunctie.
  • Bijzonderheden: Dit is wereldwijd de meest gebruikte tablet bij diabetes type 2. Let op: als u Metformine gebruikt en een medisch onderzoek moet ondergaan, waarbij contrastvloeistof wordt gebruikt, moet u een paar dagen voor het onderzoek stoppen met Metformine. Dit in verband met het risico op nierafwijkingen door de combinatie van contrastvloeistof en Metformine. Bespreek dit met uw arts.


2. Sulfonylureum derivaten (SUD): onder andere Tolbutamide

  • Handelsnamen: Tolbutamide (1e generatie), Glibenclamide, Gliclazide, Diamicron MR 30mg, Gilbenese, Amaryl.
  • Effect: Zetten de alvleesklier aan tot een hogere insulineproductie. Tolbutamide, één van de eerste SUD's, werkt slechts korte tijd en geeft daardoor weinig kans op (langdurige) hypo’s. Dit in tegenstelling tot de nieuwere SUD's (glibenclamide, gliclazide, glipizide, glimepiride), die langdurig werken.
  • Mogelijke bijwerkingen: Bij gebruik van SUD's is er kans op hypo’s. Ook gewichtstoename is een mogelijk gevolg. Sommige SUD's zijn ongeschikt voor mensen met een gestoorde nierfunctie. Verder kunnen SUD's bij langdurig gebruik de alvleesklier uitputten, waardoor ze hun nut verliezen.
  • Bijzonderheden: Na metmorfine zijn SUD de meest gebruikte tabletten bij diabetes type 2.


3. Thiazolidine-dionen (TZD): pioglitazon

  • Handelsnamen: Actos.
  • Effect: TZD’s verhogen de gevoeligheid voor insuline van de lever, de spieren en het vetweefsel en verminderen daardoor de insulineresistentie.
  • Mogelijke bijwerkingen: hartfalen, bovenste luchtweginfecties, hoofdpijn, oedeem en gewichtstoename. De kans op complicaties is het grootst bij oudere patiënten (>70 jaar), langere diabetesduur (>10 jaar), gebruik van insuline, en het hebben van hart- en vaatziekten. Afhankelijk van de dosering wordt na 4 – 12 weken een plateau bereikt.
  • Bijzonderheden: TZD zijn een alternatief voor metformine en SUD als deze niet werken of te veel bijwerkingen hebben.


4. Meglitiniden: repaglinide

  • Handelsnaam: NovoNorm.
  • Effect: Zet de alvleesklier aan tot een hogere insulineproductie, net als SUD. Dit middel is echter eerder uitgewerkt en moeten dus vaker worden geslikt. Miglitinides werken erg kort en de kans op hypo’s is zodoende erg klein.
  • Bijzonderheden: Dit middel is geschikt voor mensen met een gestoorde nierfunctie. Het is duur, u moet ervoor bijbetalen. Daarom wordt repaglinide meestal alleen voorgeschreven aan mensen met een gestoorde nierfunctie of bij SUD’s vaak hypo’s hebben of werk doen waarbij hypo’s erg gevaarlijke situaties kunnen veroorzaken.


5. @-Glucosidase-remmers: acarbose

  • Handelsnaam: Glucobay.
  • Effect: Dit middel werkt in de darmen en zorgt ervoor dat koolhydraten (suiker en zetmeel) minder snel wordt afgebroken en opgenomen in de bloedbaan.
  • Mogelijke bijwerkingen: Maag-darmproblemen zoals winderigheid, diarree en een opgeblazen gevoel.
  • Bijzonderheden: Dit middel wordt als enige niet aanbevolen in de NHG-standaard vanwege de storende (maar niet gevaarlijke) bijwerkingen.


6. SGLT2-remmers: dapagliflozine, canagliflozine

  • Handelsnaam: Forxiga, Invokana
  • Effect: Zorgen ervoor dat suiker uit de nieren niet opnieuw wordt opgenomen in het lichaam, maar in plaats daarvan met de urine wordt afgevoerd. Op die manier helpen ze de bloedsuikers laag te houden.
  • Mogelijke bijwerkingen: Vaginale schimmelinfecties en urineweginfecties
  • Bijzonderheden: Ze worden vaak in combinatie met andere medicatie gegeven, zoals met metformine


7. Combinaties

  • Effect: Omdat de bovenstaande tabletten op verschillende manieren de bloedglucose verlagen, worden ook combinaties gebruikt. Verschillende soorten tabletten kunnen elkaars werking versterken. Meestal worden niet meer dan twee tabletten gecombineerd.
  • Mogelijke bijwerkingen: Het risico op bijwerkingen wordt uiteraard groter wanneer meer dan een soort tablet wordt gebruikt (zie onder 1, 2, 3 en 4).
  • Bijzonderheden: Niet alle combinaties zijn mogelijk. Repaglinide gaat bijvoorbeeld niet samen met SUD. De meest voorkomende combinaties zijn metformine en glibenclamide en metformine en rosiglitazon.

Klik hier voor een overzicht en de werking van alle tabletten.


Zijn er nieuwe middelen?

Omdat de vooruitzichten van iemand met diabetes beter zijn, als de glucosewaarden zo goed mogelijk gereguleerd zijn, is het voor farmaceutische bedrijven een uitdaging om met nieuwe middelen te komen. Zodat voor iedere persoon met diabetes een geschikt middel beschikbaar is. Omdat deze nog niet lang door grote aantallen mensen gebruikt zijn, is nog niet volledig bekend of er mogelijk ook nadelige effecten kunnen optreden. Daarom worden deze middelen met terughoudendheid voorgeschreven door internisten en zelden door huisartsen.

  • Een nieuwe categorie tabletten zijn de zogenaamde DPP-4-remmers sitagliptine (handelsnaam Januvia) en vildagliptine (Galvus). Deze tabletten verlagen de bloedglucose op twee manieren: door de alvleesklier te stimuleren insuline af te geven en door de lever de productie van glucose te laten verminderen.
  • Een ander nieuw middel is exenatide (handelsnaam Byetta) en liraglutide (handelsnaam Victoza), zogenaamde GLP-1 analogen. Dit zijn geen tabletten, maar injectievloeistof (geen insuline). Net als SUD en repaglinide stimuleert het de alvleesklier, maar alleen op momenten dat het glucosegehalte hoog is. Het geeft zodoende geen hypo’s. Verder kan dit middel tot gewichtsverlies leiden, wat voor veel mensen met diabetes type 2 een gunstig bij-effect is. Een mogelijke ongewenste bijwerking is misselijkheid.

Media:Orale_bloedglucoseverlagende_medicatie.pdf|Klik hier voor een overzicht van alle tabletten]]

GLP-1 analogen

Sinds september 2011 is er een nieuw medicijn in Nederland verkrijgbaar voor mensen met diabetes type 2: Bydureon (werkzame stof exenatide) van fabrikant Eli Lilly Nederland. Het middel vergoed voor mensen met een BMI hoger dan 35, die geen insuline gebruiken en waarbij tabletten niet helpen.

Bydureon is een GLP-1-analoog en werkt hetzelfde als het middel Byetta, dat al langer op de markt is. Het verschil met Byetta is dat Bydureon maar eens per week geïnjecteerd hoeft te worden en Byetta een tot twee keer daags. “Deze eerste wekelijkse behandeling is een grote stap voorwaarts voor mensen met diabetes type 2 in Nederland”, vindt professor Michaela Diamant, hoogleraar Diabetologie en directeur van het Diabetes Centrum van het VU medisch centrum in Amsterdam.

DDP4-remmers

De European Medicines Agency, de instantie die bepaalt of een medicijn in Europa op de markt mag komen, heeft een positief advies afgegeven voor de registratie van Trajenta (werkzame stof linagliptine). Trajenta van de fabrikanten Eli Lilly Nederland en Boehringer Ingelheim is een darmhormoon en valt onder de DDP4-remmers. Het medicijn zorgt er voor dat de GLP-1 die het lichaam zelf aanmaakt, minder snel wordt afgebroken. De hogere GLP-1-spiegel zorgt er vervolgens voor dat de alvleesklier bij het stijgen van de bloedglucosewaarden extra insuline afgeeft. In tegenstelling tot andere medicijnen voor mensen met diabetes type 2 veroorzaken DDP4-remmers geen hypo's.

Het voordeel van Trajenta in vergelijking met andere DDP4-remmers is dat het niet door de nieren, maar door de lever uit het bloed gehaald wordt en dan via de gal naar de darmen gaat. Daardoor is het middel ook te gebruiken door mensen met nierproblemen, zonder dat de kans op overdosering bestaat. Trajenta moet een keer daags ingenomen worden als tablet. Het is nog niet bekend wanneer het op de markt komt en of het vergoed wordt.

DDP4-remmers en GLP-1-analogen kunnen alleen voorgeschreven worden aan mensen die zelf nog insuline aanmaken. Wilt u meer weten over de werking van DDP4-remmers en GLP-1-analogen of andere middelen voor diabetes type 2? Lees dan het artikel dat in 2011 in Diabc stond. Hoewel de hierboven genoemde merken in het artikel ontbreken en er nog veel onderzoek wordt gedaan naar de effecten op lange termijn, kunt u in het artikel wel lezen wat de voor- en nadelen van DDP4-remmers en GLP-1-analogen in het algemeen zijn. Heeft u vragen over uw eigen behandeling? Neem dan contact uw (huis)arts. Diabetesvereniging Nederland kan geen advies geven over welk medicijn voor u het meest geschikt is, omdat dit per persoon verschilt.

Combinatietherapie

Uit wetenschappelijke studies is gebleken dat een scherpe diabetesregulatie complicaties kan voorkomen. Blijft de bloedglucose ondanks de tabletten te hoog, dan is het raadzaam over te stappen op insuline.

Insuline: iets om tegenop te zien?

Mensen met diabetes type 2 die tabletten slikken, zien er vaak tegenop om er insuline bij te gaan gebruiken of geheel over te stappen op insuline. Het gebruik van insuline vraagt toch meer op het gebied van zelfcontrole. Ook prikangst en de angst voor hypo’s kan een rol spelen. Maar na een paar maanden zijn de meeste mensen die insuline gaan gebruiken blij dat ze dat gedaan hebben. Doordat hun bloedglucose niet meer zo hoog is, voelen ze zich al snel beter. Ze hebben veel meer energie, kunnen weer meer aan en worden ondernemender. Vaak zeggen zij dat ze het jaren eerder hadden moeten doen.

Behandeling uitstellen

Voor wie aan insuline toe lijkt te zijn, is het soms zinvol om thuis dagelijks de bloedglucose te meten. Door zelfcontrole in combinatie met goede educatie verbeteren de bloedglucosewaarden vaak al veel. Daardoor kan de behandeling met insuline dan nog even worden uitgesteld.

Hoe vaak moet u per dag insuline spuiten?

Het HbA1c is een belangrijke graadmeter om te bepalen of het tijd wordt voor insuline, naast of in plaats van tabletten. Het HbA1c is het gemiddelde van de bloedglucosewaarden in de laatste zes weken. Als dat herhaaldelijk boven de 53 mmol/mol zit, kan worden besloten tot insulinetherapie. Er zijn dan drie mogelijkheden:

  • 1 x daags een middellang- of langwerkende insuline voor het slapengaan en daarnaast tabletten.
  • 2 x daags (’s ochtends en ’s avonds) een insulinemix van kort- en langwerkende insuline en daarnaast eventueel tabletten.
  • 4 x daags spuiten: 3 x kortwerkende insuline voor de maaltijd en 1 x middellangwerkende insuline voor het slapengaan.

De eerste twee mogelijkheden passen het best bij mensen die een geregeld leven hebben en op vaste tijden eten, actief zijn en slapen. Eenmaal daags spuiten is ook een oplossing voor mensen die bijvoorbeeld in een woonzorgcentrum wonen of bij wie een wijkverpleegkundige dagelijks de injectie toedient.

Tweemaal daags spuiten is prettig voor mensen die liever niet op hun werk willen spuiten of viermaal daags spuiten te belastend vinden. Viermaal daags spuiten lijkt het meest op de natuurlijke werking van de alvleesklier en geeft de meeste flexibiliteit. Daardoor geeft het vaak de beste regulatie van de diabetes en past het bij mensen bij wie elke dag er anders uit kan zien. Welk regime het meest geschikt is, bepaalt u in overleg met uw (huis)arts of diabetesverpleegkundige.

Wat is beter: combinatietherapie of alleen insuline?

Uit onderzoek blijkt dat het voor de bloedglucosewaarden niet uitmaakt of iemand tabletten met insuline combineert of helemaal overgaat op insuline. De combinatiebehandeling lijkt wel ‘gebruiksvriendelijker’ dan alleen insuline. Ook geeft het minder kans op hypo’s en gewichtstoename. De combinatie van twee- of viermaal daags insuline met alleen metformine geeft echter wél lagere bloedglucosewaarden en er is minder insuline nodig. De combinatie van insuline met een SU-preparaat is meestal minder effectief en wordt niet zo vaak gegeven. De meeste andere middelen zijn niet geregistreerd om samen te gebruiken met insuline.

Persoonlijke instellingen