Zelfcontrole

Uit DiabetesWiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Zelfcontrole

Een belangrijk doel van de behandeling is het zo normaal mogelijk houden van uw bloedglucosespiegel (tussen de 4 en 10 mmol/l). Om dit te controleren, is het nodig dat u regelmatig uw bloedglucose meet.

Waarom meten?

Meten is weten! Meten levert inzicht op en zekerheid over uw waarden. Wijst de meting uit dat uw bloedglucosewaarde te hoog of te laag is, dan kunt u uw behandeling aanpassen om de bloedglucose weer op het juiste peil te brengen. Ook op de langere termijn heeft meten een functie: door regelmatig te meten, leert u hoe uw lichaam op bepaalde situaties en activiteiten reageert. Daardoor kunt u steeds makkelijker beslissingen nemen: bijvoorbeeld de hoeveelheid insuline verhogen of verlagen, meer of minder eten, meer of minder bewegen. Dit heet zelfregulatie: uw behandeling op maat maken.

Zo kunt u een zo normaal mogelijk leven leiden. Ook al leert u uw lichaam goed kennen, denk niet te snel dat u inmiddels ongeveer wel voelt hoe hoog u zit. Hoge waarden kunnen ook wennen en mensen die al langere tijd diabetes hebben voelen hypo's minder goed aankomen. Regelmatig meten blijft dus belangrijk. Alleen dan weet u zeker hoe hoog uw bloedglucosewaarde is en kunt u klachten voorkomen.

Wat heeft er allemaal invloed op de bloedglucosewaarden?

Eigenlijk alles kan de glucosewaarden beïnvloeden: emoties zoals verdriet en stress, een lichamelijke activiteit zoals boodschappen doen of sporten, een wijntje drinken, verhuizen en wisselende omstandigheden zoals uit eten of op reis zijn. Uw leven is immers niet elke dag hetzelfde. Verder heeft wat u eet en uw type behandeling (insuline of tabletten) natuurlijk ook invloed op uw waarden. Door regelmatig te meten kunt u achterhalen hoe groot die invloed is.

Wanneer is de bloedglucose goed geregeld?

Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) hanteert de volgende streefwaarden:

  • nuchter gemeten bloedglucose: 4-7 mmol/l
  • bloedglucose 2 uur na de maatlijd: < 9 mmol/l

Als een vrouw zwanger probeert te worden, gelden andere waarden:

  • voor de maaltijd mag de bloedglucosewaarde maximaal 5,4 mmol/l zijn
  • 2 uur na de maaltijd mag de bloedglucosewaarde maximaal 6,7 mmol/l zijn. (Lees meer over zwangerschap met diabetes).

Wat heeft u nodig?

Voor meten heeft u nodig: een bloedglucosemeter, een prikpen met een naaldje (lancetten) en teststrips. In Nederland zijn zo'n dertig typen meters verkrijgbaar. Ze voldoen alle aan de Europese richtlijn voor bloedglucosemeters: de CE-markering. Welke meter u kiest, is heel persoonlijk. Uw diabetesverpleegkundige of praktijkondersteuner kan u desgewenst helpen bij de keuze. Verschillende criteria kunnen een rol spelen:

  • Heeft u moeite met de fijne motoriek, dan is het prettiger werken met een meter waar de strip automatisch uitkomt in plaats van per stuk verpakte strips die je zelf moet inbrengen.
  • Voor ouders van kinderen die ook 's avonds/'s nachts moeten prikken, kan een verlichte display handig zijn.
  • Gaat u vaak op reis naar het buitenland, dan kunt u het beste een meter en strips kiezen die daar ook verkrijgbaar zijn.
  • Houdt u uw waarden bij op de computer, dan is het handig te kiezen voor een meter waarbij u software kunt installeren op uw pc.
  • De prijs van de teststrips kan bepalend zijn.
  • Het geheugen van de meter kan een criterium zijn, dat varieert van 20 tot 2000 metingen, net als de snelheid, die varieert van vijf tot dertig seconden.
  • Het uiterlijk van de meter speelt vooral voor kinderen een rol; ze zijn er in hippe kleuren met allerhande stickers.

Wat moet u weten?

Meten gaat als volgt:

  • Was uw handen met water en zeep en droog ze goed af.
  • Maak eerst de prikpen klaar en dan de meter.
  • Zorg dat de prikpen goed is ingesteld: pas de diepte aan op de prikplaats die je kiest.
  • Prik aan de zijkant van uw pink, ringvinger of middelvinger.
  • Gebruik voor de meting de eerste druppel bloed (Alleen wanneer uw handen niet schoon zijn, moet u de eerste druppel afvegen).
  • Breng het bloed aan op een teststrookje.
  • Lees het teststrookje af met de bloedglucosemeter. De bloedglucosewaarde die u afleest, is de waarde van dat moment. Een goede waarde ligt tussen 4 en 10 mmol/l; nuchter mag die waarde 7 mmol/l zijn.
  • Schrijf de uitslag op.
  • Controleer bij (fout)meldingen de gebruiksaanwijzing van uw meter.
  • Gebruik elke lancet (naaldje voor in de prikpen) maar één keer.
  • Doe gebruikte lancetten in de naaldencontainer.
  • Codeer de meter steeds als u een nieuwe serie teststrips gebruikt (dit geldt niet bij alle meters).
  • Gebruikt u teststroken uit een potje, sluit dat dan steeds goed af.

De test is overal te doen: thuis, op het werk, onderweg, op vakantie, als u uit bent enzovoort. In het begin is het misschien eng om uzelf te prikken, maar na verloop van tijd zal het wennen.

Let op: de teststrips zijn beperkt houdbaar en moeten op een bepaalde manier bewaard worden. Kijk dus op de verpakking en de gebruiksaanwijzing.

Hoe vaak moet u meten?

Meten gebeurt volgens een schema dat u met de arts of diabetesverpleegkundige hebt afgesproken. U meet dus zoveel mogelijk op vaste tijden. Dit schema verschilt per persoon.

Vlak na de diagnose moeten mensen die tabletten gebruiken, meestal twee keer per dag meten. Mensen die insuline gebruiken moeten vaak acht keer meten. Samen geven deze metingen aan hoe de bloedglucosewaarden over de dag schommelen. Dit heet een dagcurve. Op basis van de dagcurve wordt er voor u een behandelplan gemaakt.

Na verloop van tijd, als de bloedglucose stabiel is, hoeven mensen met tabletten niet meer iedere dag te testen. Mensen met insuline blijven iedere dag testen, zodat ze hun hoeveelheid insuline desgewenst kunnen aanpassen. Geschikte meetmomenten zijn: voor het slapengaan, nuchter, direct voor een maaltijd, 1 à 2 uur na het eten, voordat u in de auto of op de motor stapt of voordat u flink gaat bewegen.

Soms is het beter om vaker te meten, bijvoorbeeld bij onregelmatig werk, voor en na een etentje, bij ziekte of koorts, bij sporten, tijdens vakantie, of als u ziek bent. Ook zwangere vrouwen, mensen die regelmatig hypo's hebben of mensen met moeilijk in te stellen diabetes doen er goed aan wat vaker te meten.

Meer info over bloedglucosemeters

Op Mijn Zorgpagina vindt u de Hulpmiddelenvergelijker. Met dit eenvoudige programma kunt u bloedglucosemeters met elkaar vergelijken. Handig, want er zijn zoveel verschillende meters! Door 4 korte vragen te beantwoorden vindt u de bloedglucosemeters die bij u passen. Ook kunt u de kenmerken van 3 meters met elkaar vergelijken.

Persoonlijke instellingen